Om 8 uur zouden ze komen, om vijf voor 8 belden ze al aan. De bouwvakkers. Precies op het tijdstip dat ik, optimistisch als altijd, m'n wekker had gezet. Ik rende de twee trappen af naar beneden terwijl ik probeerde overeind te blijven omdat ik tegelijkertijd een broek aantrok. Je wil ze wel een beetje fatsoenlijk verwelkomen, natuurlijk.

Terwijl ze aan hun voorbereidende werk in huis begonnen, stond ik er nutteloos bij. Als de stagiair met een meeloopdag. Waarschijnlijk vroegen ze zich af waarom ik daar maar bleef staan, maar ja, als je er eenmaal tussen staat voelt het ook weer zo onbeleefd gewoon weer weg te lopen.

Nadat ik me uiteindelijk wist los te maken uit m'n hulpbiedende hoekje (even opzij graag, we moeten hier bij) ben ik maar aan de eettafel gaan zitten. Toen stroomden de existentiële vragen binnen. Is dit het moment om koffie aan te bieden? Een ontbijt misschien? Kan ik wel naar de wc?

Ze wilden geen koffie. Ik bleef zitten. Stond op. Ging toch maar weer zitten. Zei dat ik aan het werk ging (ik hoef helemaal niet te werken). Ja, thuiswerken met dit weer he, zeiden ze. Ja haha zei ik jullie niet he. Nee haha wij niet.

Wat later deed ik een poging op de bank te gaan zitten. Eentje liep langs met een ladder. We deden allebei een stapje tegelijk naar rechts, toen naar links. Ik gaf me gewonnen en ging terug naar de eettafel.

Sorry zei ik.

Ik moest eigenlijk naar boven, maar dat was nu hun domein. Daar had ik niets meer te zoeken. Ik moest ook nog steeds naar de wc.

Uiteindelijk verstopte ik me onder de eettafel. Uren zat ik daar. Toen er knieën in m'n gezichtsveld verschenen kwam ik verkrampt overeind en vond ze theedrinkend aan mijn tafel. Hun tafel. Hun keuken. Hun huis eigenlijk.

Wat een sneeuw he, zei ik.